Hoewel het middaguur net geslagen heeft, heb ik er al twee dagen opzitten. Hoe vaak kun je dat zeggen? De pannenkoek heeft de nodige energie opgeleverd, de koffie gaf de benodigde kick om weer te vertrekken en ik heb zin in deze nieuwe dag. Het is heerlijk direct de mooie Zevenheuvelweg op te fietsen.
Het laat een diepe indruk achter: een rustig, vredig monument met ruim 2.600 grafzerken van overleden Canadese militairen die niet in het gebied van de verslagen vijand mochten worden begraven.
De meeste geallieerde landen besloten dat hun soldaten moesten worden begraven in het land waar ze hun leven gaven. Generaal Crerar, commandant van de Canadese landmacht in Europa, gaf echter het bevel dat geen enkele soldaat van de landmacht mocht worden begraven in Duitsland, de verslagen vijand tijdens de oorlog. Op een enkele uitzondering na (één soldaat van de Canadese landmacht begraven op het Reichswald Forest War Cemetery) zijn de Canadese soldaten die omkwamen in het Duitse Rijnland daarom begraven in Groesbeek, op Nederlands grondgebied. (bron: Wikipedia)
Hoe indrukwekkend ook, ik stap weer op de fiets en vervolg de weg naar Groesbeek, door het Groesbeekse bos naar Grafwegen, waar ik een stukje Duitsland meepak.
Even een stukje Duitsland
Daarna volgt de enige echte tegenvaller van de route; een gravelpad om Zandwinning de Banen. Voor wandelaars is dat uiteraard prima en rijd je op een gravelbike, dan zal zo’n vijf kilometer kuilen, zand en scherpe stenen geen probleem vormen, maar ik rijd hier op harde 25 millimeterbandjes (waarom pomp ik daar toch altijd wéér acht bar in?!) en ben blij als ik ter hoogte van het Limburgse Ven-Zelderheide, tegen de Duitse grens, weer een normale weg oprijd. Dat was net even te lang tandenknarsend hopen op het uitblijven van een lekke band. Over de Neutraleweg en de Sint Jansberg — Col du St. Jean met wel 3900 hoogtecentimeters!– rijd ik via Ottersum en Milsbeek naar Mook.
Met Malden aan de linkerhand en Heumensoord aan de rechter keert de route, net voor Nijmegen weer aan te tikken, om. Tijd voor de laatste etappe en een laatste koffiestop!
In de richting van Wijchen — uitgesproken als ‘Wiechen’, laat ik me corrigeren — waar het Museum Kasteel er rustig, maar niet verlaten bijstaat. Daar stap ik wél even af, want ik heb, sinds ik vroeger De Zevensprong van Tonke Dragt las, een zwak voor kastelen en burchten. Te lang lummelen kan niet vandaag, maar een korte stop op zo’n zeventig kilometer om de burcht, die in de zeventiende eeuw door Emilia van Oranje Nassau werd gebouwd op de restanten van een ruïne, moet kunnen. Het is een prachtig kasteel; goed onderhouden, met een mooie ophaalbrug en kasteeltuin.
Bij Kasteel Wijchen
Na Wijchen volgt een mooi pad dat eventjes langs de Maas slingert en dan door Alverna voert — een kerkdorp vernoemd naar het aldaar gestichte klooster, dat weer vernoemd is naar La Verna, een berg in Toscane waar zich een wonder zou hebben voltrokken. Via het Goffertpark en het stadion van N.E.C. volgt het weer wat stadsere Nijmegen Zuid, maar dat verruil ik al snel voor de Kwakkenberg.
Goffertstadion
Bordjes kondigen Berg en Dal aan en dat betekent niet alleen dat de klimmetjes op de Zevenheuvelenweg eraan komen, maar ook dat de middagstop zich aandient: pannenkoek bij De Ontdekking, een niet onbekende wielerstop met speciale wieleraanbieding en sponsorshirts aan de muur.
Ik twijfel, want mijn favoriet, een pannenkoek met boerenjongens — lees: rum en rozijnen — prijkt op de uitgebreide kaart, maar dat is me eerder al eens slecht bevallen; de rum liep in de benen en met vandaag nog zo’n honderd kilometer te gaan, speel ik op safe: het wordt appel en rozijn, zeker ook niet mis.
Een pannenkoek doet, net over de helft van de tocht, goed
Het is woensdag, maar de eerste ochtendetappe is de zogenoemde Blauwe Dinsdag — de Dag van Elst. Het is nog vroeg, fris, maar niet té, dus het windjack kan lekker in de auto op het nog lege parkeerterrein van de Wedren, hartje Nijmegen, blijven. Zo is er meer ruimte in de zakken voor bananen en andere proviand. Op het genoemde parkeerterrein kun je de auto tegen een maximaal dagtarief van 15 euro laten staan en dichter bij de start kun je niet komen.
Het Vierdaagsebeeld op de Wedren.
Ik bekijk het Vierdaagsebeeld, klik in, rijd richting de iconische Waalbrug en steek al vroeg op de route de rivier over. De route voert direct de Overbetuwe in, wat betekent dat ik de stad snel achter me laat en getrakteerd wordt op koeien langs de weg, vergezichten over de Waal en, wat later, ontelbare perengaarden en fruitkraampjes.
Door de Overbetuwe langs de Waal
Na Klein Rome passeer ik Bemmel en hoewel Rome niet in één dag gebouwd is, rijd ik de gehele vierdaagse wel in één dag, dus ik zet snel koers in de richting van Huissen — dat alleen in de vijftigkilometerroute voorkomt — en Arnhem.
Een voordeel van een route van vier lussen is dat de wind, die gelukkig meevalt vandaag, nooit heel lang tegenzit — wel lekker hier in de polder. Inmiddels rijd ik weer zuidwaarts, dwars door Elst, waarna ik, met enige spijt, een pannenkoekenrestaurant voorbijschiet. De pannenkoek komt later en daarbij is het nog te vroeg — niets is nog open op deze zonnige woensdagochtend in de late nazomer. Leve de Snelle Jelles in de achterzakken. Wanneer ik via OosterhoutNijmegen Noord inrijd, rijd ik over de spoorbrug en zet ik de Waalbrug, die je vanaf dit punt mooi kunt zien, op de foto.
De Waal, Waalbrug en de natuurlijk de tweewieler
Met inmiddels de eerste etappe en zo’n vijftig kilometer in de benen is het tijd voor koffie. Een groot hotel is al open en hoewel het weinig pittoresk oogt, pal naast een station en een doorgaande weg, laat ik me koffie en de nodige koolhydraten, met nog zo’n 150 kilometer te gaan, niet ontzeggen.
NB Ik maakte nog een klein uitstapje naar Fort Beneden Lent, zo’n kilometer van de route af. Die locatie heb ik inmiddels uit de route gehaald, want er is werkelijk niets te zien, behalve een weinig aantrekkelijke ruïne, waaraan ik de spreuk Lent of Hope and Glory, vermoedelijk geplaatst door (anti)krakers, nog het fraaiste onderdeel vind. Oordeel hieronder zelf.
Vijftig kilometer wandelen in een drukke stoet, geen moment stilte, continu publiek en entertainment langs de route. Er zijn, getuige de inschrijvingen, tienduizenden mensen die dat vier dagen achter elkaar zien zitten, maar dat is niets voor mij. Geef mij maar iets meer rust en de racefiets. Dat betekent niet dat de Nijmeegse Vierdaagse geen aantrekkingskracht op mij uitoefent. Gelukkig blijken Vierdaagse en velo prima te verenigen.
Op basis van de vier vijftigkilometerroutes van de iconische Walk of the World plande ik zo routegetrouw mogelijk een (race)fietsroute van tweehonderd kilometer door Gelderlands pracht: de Eendaagse van Nijmegen.
De route van de Eendaagse van Nijmegen (kleur markeert hier hoogte; het oranje segment is de bekende Zevenheuvelenweg)
In de komende posts volgen de vier etappes elkaar op: van de Wedren over de Waalbrug, in een dag de dagen van Elst, Wijchen, Groesbeek, en Cuijk tot Via Gladiola. Het was een schitterende nazomerdag, zonder feest en publiek, maar door het land van Maas en Waal met schitterende uitzichten, een paar mooie ontmoetingen, de Zevenheuvelenweg, stilstaan in Groesbeek, een stukje Duitsland, koffie en pannenkoek.
Voor wie overigens geïnteresseerd is in de route: die was, inclusief een paar keer kort verkeerd rijden, precies 200 kilometer en volgt later als GPX-bestand, inclusief wat kleine correcties.
Afgelopen zaterdag liep ik, samen met mijn vrouw, de Stakenbergtrail, een trailrun van 10, 21 of 34 kilometer door de bossen en heiden rondom Elspeet, mooi op de Veluwe.
Mijn vrouw loopt langzamer dan ik, maar dit soort trails lopen we graag samen. Ik pas mijn tempo dan aan, maar dat is niet altijd gemakkelijk, vooral mentaal niet. Ik merk dan steeds dat ik toch harder wil en dat levert soms frustratie op. Meestal gaat het overigens gewoon goed samen, maar het kost me dan wel wat discipline, waar ik eigenlijk, zeker bij zo’n trail waar tijd er niet toe doet, gewoon lekker samen van het buiten zijn en de onbekende omgeving wil genieten. Daar had ik deze keer iets op bedacht: ‘s morgens, voordat we vertrokken, deed ik alvast wat tempoblokjes, zodat ik die prikkel alvast had gehad en hopelijk niet meer zou ervaren tijdens de trail.
De route van de Stakenberg-trail (21 kilometer)
Het voelde een beetje dubbel, want het was ook wel een beetje raar om al te gaan hardlopen voordat ik een trail zou gaan lopen, maar eigenlijk werkte het best goed. Ik had tijdens de trail daadwerkelijk veel minder behoefte om op mijn eigen tempo te lopen, bleef lekker bij mijn vrouw en kon daar ook meer plezier uithalen. Het voelde veel minder aan als wedstrijd — wat het, zonder tijdregistratie ook niet was — en veel meer als gewoon lekker samen actief buiten zijn. Dat haalt het dubbele gevoel over ervoor nog een kleine training overigens niet weg, maar ik probeer de vraag of het nou ‘goed’ was of niet maar om te buigen tot ‘leverde het wat op’ en het antwoord op die vraag is wat mij betreft ‘ja’.
Op ongeveer 12 kilometer. Foto door Trail Events.
De trail voerde overigens door de bossen, over de heide en was voor 99 procent onverhard. Voor 75 procent overigens ook zeiknat, want wat een gigantische hoeveel regen hebben we gehad! Het kwam dus goed uit dat we onszelf een klein weekendje Veluwe cadeau deden, want toen we doorweekt de finishbel luidden, konden we direct via de proviandtent (altijd goed geregeld bij trails) door naar de douche in ons hotel, dat zich direct aan de start/finish bevond.
Finishbel! (Geleerd van een vorige keer: er geen harde ram tegen geven; dat kan een flinke wond opleveren…)
We aten, sliepen en ontbeten ook in het hotel en hoewel het wat gedateerd was en het diner niet je-van-het, voelde het toch heel luxe en fijn zo. Zondagochtend plakten we er nog een schitterend wielerritje dat ik op Komoot vond (Uitzicht op de Veluwse zandverstuivingen) aan vast.
Een mooi rondje wielrennen op zondagochtend.
Het was werkelijk een schitterende route die over mooi slingerende fietspaden door de bossen rond Elspeet voerde en over de heide, waar we nu gelukkig niet geteisterd werden door hevige regenval. Sterker nog, het was zo’n 21 graden, er was zon en praktisch geen wind. Perfect fietsweer, kortom. Enig ‘minpuntje’: verwacht niet in deze regio ergens koffie te kunnen drinken op zondag(ochtend), want werkelijk alles is dan dicht. Dat hadden we, daar in de biblebelt, overigens van tevoren wel bedacht, dus toen er op vier kilometer voor het einde toch nog een terras open bleek, beschouwden we dat maar als een fijne meevaller en we bestelden snel koffie en taart.
Omdat ik een vroege beklimming van de Gavia verkoos boven een flink latere beklimming van de Stelvio vanuit Prato, kwam ik mooi op tijd beneden in Bormio aan, waar bijna gelijktijdig vrouw en kind Piazza Cuovo opliepen voor koffie met iets lekkers bij Dolce Ozio. Wat een heerlijk zaakje!
Na wat souvenirs te hebben geshopt, aten we met z’n drieën pizza bij de Sunrise Bar, dat veel leuker was dan de toch wat toeristische naam deed vermoeden. Toen met elkaar naar de auto, zodat onze zoon een goede middagslaap kon doen in het vakantiehuis en wij ook wat konden uitrusten voordat het inpakken zou beginnen. Mijn vrouw had er immers een hele ochtendwandeling met zoon op loopfietsje opzitten en ook dat is flink werken, want uit enthousiasme en ontdekkingsdrang schiet hij alle kanten op.
Vandaag reed ik wellicht niet de beroemdste klim, maar zeker ook niet de minste. Ik reed er voor mijn gevoel een die een geweldige dag opleverde en dat is me een hoop waard.
Het was een geweldige ochtend en de Stelvio vanuit Prato, volgens niet de minsten de beste Stelvio-beklimming, komt vast nog wel een keer — dat is me nog wel een reis waard. Stel dat ik over een paar jaar terugga om de Stelvio vanuit Prato te beklimmen, dan kan ik dat met alle aandacht doen die de beroemde col ook, of misschien wel juist vanaf die kant verdient. Wie weet, al duurt dat nog wel lang, kan ik ‘m ooit samen met mijn zoon doen. Dat schoot op de weg omhoog vandaag door mijn hoofd en dat lijkt me een mooie afsluitende gedachte voor een mooie beklimming en dito vakantie.
De echte test op de Passo di Gavia kwam pas rond het negentienkilometerpunt en duurde een paar kilometer. Ik had dat al gelezen, maar ik werd er toch enigszins door verrast. Voor het eerst moest ik echt uit het zadel. Even schoot zelfs door mijn hoofd: zal ik een voetje aan de grond zetten? Nu bestaat er onder wielrenners een regel dat een col pas echt telt als je geen voet aan de grond hebt gezet. Zo staat op de officiële website van de toeristische regio Lombardije, bij de beklimming van de Passo del Ghisallo, zelfs ‘il piede a terra è una sconfitta’: ‘een voet aan de grond is een nederlaag’. Ik heb het dan ook niet gedaan en de gedachte duurde maar heel even, maar op de Stelvio had ik dat geen moment gehad. Ik had overigens best prima benen, zelfs na gisteren een dagvullende hike om de Laghi di Cancano met Casper op de rug te hebben gedaan, maar of het nou verstandig was om diezelfde dag eerst nog tien kilometer met 500 hoogtemeters hard te lopen, daar verschillen de meningen over. Nou ja, eigenlijk niet; ik was veel te vroeg wakker, wilde iets doen, maar wist ook wel dat ik beter een boek en rust had kunnen pakken. Mijn sleutelbeen liet overigens wel van zich horen door de belasting van de draagrugzak, maar tijdens het fietsen zelf had ik daar gelukkig geen last meer van.
Op de Passo di Gavia veranderden rap de omstandigheden. Het werd kouder, de wolken hingen dreigend boven de bergen en de wind trok aan. Het deed me Schots aan; een donker meer, ruige rotsen en altijd die dreiging van nattigheid. En natuurlijk geen jasje of mouwen mee…
Het werd snel mistig en dreigend.
Juist door de omgeving en omstandigheden voelde het alsof ik, op dat moment, een avontuur aan het beleven was. Dat was heel anders dan de Stelvio. Die voelde meer als een grote, berekende uitdaging: hoogtemeters optellen, haarspelden aftellen, steeds dichter naar een duidelijk eindpunt zwoegen. De Gavia was minder voorspelbaar: meer ontdekken, minder aftellen.
Toch maar omhoog, ondanks de naderende regenwolken.
De laatste kilometers waren echt een heel stuk makkelijker: een meertje verscheen, de bergen openden zich en de weg vlakte af tot een procent of vijf. Dat maakte ook dat ik op de top, na minder dan 1:50 uur, opeens dacht: nu ben ik er. De Stelvio had daarentegen echt een heel duidelijk eindpunt in de beleving. Die voelde wellicht minder avontuurlijk, maar wel euforischer aan het einde. De Gavia stelde echter zeker niet teleur en de beroemde Rifugio Bonetta bovenop was open, dus ik klaag zeker niet. Er waren wat motorrijders, lui met snelle sportauto’s en een handjevol andere wielrenners.
Bovenop de Gavia.
Ik raakte al snel in gesprek met Pawel, een Poolse fietser met wie ik even foto’s maakte van het bord en de bever en die net als ik een vakantie vol familie-hikes met een mooie beklimmingen combineerde.
Toen ik de rifugio binnenliep, hoorde ik eerst Take it easy van The Eagles spelen. Ja, een ouwenlullennummer, maar wel een heel fijn nummer om je eraan te herinneren gewoon even lekker de tijd te nemen voor een mooie ochtend. Toen ik eenmaal een dubbele espresso had besteld, klonk Bongo Bong van Manu Chao — een nummer waaraan ik, door een familieweekend ergens eind jaren ‘90, mooie en warme herinneringen bewaar.
Na de koffie met geweldig uitzicht en helaas zonder pretzel — je zit hier duidelijk verder van Oostenrijk af — zette ik de afdaling in. Ook nu was het nog heerlijk rustig, maar het wegdek was nat, ik had geen jasje meegenomen, kreeg koude, gevoelloze vingers en vond het lastig op de toch al flink gedateerde velgremmetjes te vertrouwen. Bovendien bleek ‘s morgens bij vertrek mijn rechterschoenveter – zo’n draaisysteempje van Boa – kapot, waardoor ik minder kracht durfde te zetten. Je wilt niet met een losse schoen naar beneden knallen. En eerlijk is eerlijk: afdalen is zeker niet mijn sterkste kant. Twee wielrenners die dat beduidend beter in de vingers hadden, vlogen met aardig wat risico door de bochten en haalden me in, maar dat gaf niet. Het schoot ook nu door mijn hoofd: rustig aan, je hebt Casper en wat risico mag, maar zeker niet te veel. Sowieso was het wegdek en bochtenwerk heel anders dan maandag, waardoor de zeventig aantikken er, althans voor mij, echt niet bij was.
De Passo di Gavia vanuit Bormio (en eerst een stukje Sant’ Antontio-Bormio).
Tijdens het deel van onze vakantie dat we in Bormio vierden, beklom ik maandag de Stelvio vanuit een plaatsje dicht bij Bormio waar we vakantie vierden. Het was een geweldige ervaring: vroeg, al om 7 uur, vertrokken, bijna alleen naar beneden naar Piazza Cuovo in Bormio en door het vroege tijdstip een bijna verlaten Stelvio op. Later, zeker in de vakantie en in weekends, is dat weleens anders, hoorde ik van de vele andere wielrenners die in Bormio vakantie en fietsen combineren. Ik kon heerlijk mijn eigen tempo rijden en boven aankomen met het gevoel iets moois te hebben gepresteerd.
Ik dacht eraan later in de vakantieweek nog een keer de Stelvio op te gaan, maar dan vanuit Prato. Het was verleidelijk: beide kanten van een van de bekendste cols ter wereld beklimmen, maar het betekende ook anderhalf uur met de auto, later vertrekken en waarschijnlijk minder tijd om na afloop met vrouw en kind van de dag te genieten. Een andere optie was niet nogmaals de Stelvio te doen, maar de Passo di Gavia — minder bekend wellicht, maar, volgens de boekjes en verhalen, ook een geweldige pas. Het was, na de Stelvio, nummer 2 op de zomerlijst van de wielerchallenge van Bormio: de Stelvio Epic Rides.
Na wat wikken en wegen, koos ik voor de Gavia, lekker vanuit Bormio. Ik koos voor mijn gevoel niet voor een minder iconische klim, maar voor een dag die beter in de familievakantie paste: lekker vroeg en gewoon vanuit het vakantiehuis vertrekken, een totaal andere ervaring beleven dan de Stelvio, niet gehaast een col in de ochtend hoeven proppen en rustig gezamenlijk de vakantie in Bormio kunnen afsluiten. Dat laatste klinkt misschien als een detail, maar het was zo meer een mooie vakantiedag dan ‘alleen’ een fietstocht.
Net als maandag vertrok ik vrijdag vroeg. Om 7.05 uur, zoefde ik op de vertrouwde Opera bergaf naar Bormio. De eerste kilometers na Bormio voelden nog niet, zoals bij de Passo dello Stelvio wel het geval was, als een legendarische col. De weg was breed, nog geen echte pas en de stijgingspercentages waren gemoedelijk genoeg: afwisselend stukken van acht tot tien procent met herstelstukken rond de vijf procent. Het was mooi fietsen, maar het voelde vooral nog aan als de weg ergens naartoe.
Dat veranderde vanaf Santa Caterina, waar we twee dagen ervoor waren voor een hike. Daar staat op een brug waar je onderdoor fietst groot Passo Gavia aangegeven en vanaf dat moment voelt de weg anders. De weg begint te slingeren, is minder doorgaand en de eerste haarspelden verschijnen. Eindelijk was ik voor mijn gevoel niet meer op weg naar een pas: ik bevond me erop.
Hier bevond ik me duidelijk wél op een pas.
Rond kilometer achttien zag ik de enige twee andere wielrenners tijdens de beklimming; waarschijnlijk dankzij het vroege uur. Ik haalde ze in en hoorde dat ze uit Engeland kwamen. Na ze te hebben ingehaald, riep een van hen lachend: ‘Do you want to borrow some kilos?’ Ik kon er wel om gniffelen, want ik realiseer me wel dat ik een klimmerspostuur heb — licht en niet al te groot. Bij zo’n opmerking komt ook altijd weer heel even het verleden van een eetstoornis om de hoek kijken, maar dat is dan gelukkig meestal nog maar een flard van een gedachte (‘ha, ik ben dun!’) en die ik laat voor wat ‘ie is: ik klim naar boven in mijn eigen tempo, met mijn eigen lichaam en dat ga ik later vandaag vieren door lekker met het gezin pizza te eten. Heerlijk. Voor nu pakte ik een banaan en die smaakt uiteindelijk toch het best als ‘ie, net wat verdrukt, ‘vers’ uit een van de achterzakken van een wielershirt komt.
Had ik, tijdens de Passo dello Stelvio, spijt dat ik mijn oude racefiets —een Opera (Pinarello) Cellini van minstens achttien jaar oud — mee had genomen? Deels. De Bianchi Sprint staat thuis en die wilde ik niet twee weken buiten naast vakantiehuizen in the middle of nowhere hebben staan als het niet hoefde, maar tijdens de heerlijke afdaling miste ik de scherpte van de schijfremmen wel en een zwaarder frame met slechts 9-speed cassette is ook niet meer ‘je van het’. Voordeel is wel dat ik deze fiets heel goed ken en dat de velgremmen van de oude Opera op zich nog zeer goed dienst deden, maar toen ik bij het afdalen de zeventig kilometer per uur aantikte, schoot de gedachte aan mijn zoontje door mijn hoofd en liet ik de lichte angst die ik voelde toch een keer een verstandige raadgever zijn: niet harder dan dit. Het afdalen was verder heerlijk — weidse uitzichten op de haarspelden die nog volgden, best een goed wegdek en gewoon lekker wielertrui open en de wind het lichaam laten koelen.
Eenmaal terug bij het begin van de pas vervolgde ik de weg naar mijn startpunt in Bormio, om daar eventjes op vrouw en kind te wachten. Die hadden samen een mooie hike rond Bormio gedaan en toen ik ze aan zag komen lopen, viel me direct op dat mijn vrouw onze zoon zijn wielershirt had aangetrokken. Wat een leuke en liefdevolle verrassing!
We sloten de mooie ochtend gedrieën even mooi af met gezamenlijke koffie en echt Italiaans lekkers. Eenmaal terug bij het vakantiehuis bekroop me dat gevoel dat je ook na andere ervaringen hebt waarnaar je hebt uitgekeken: nu is het voorbij. Dat vertelt me wel dat het gewoon echt een goede ervaring was. Ik voel me dankbaar. Wellicht later deze week nog een keer omhoog, maar dan de volgens sommigen minder klassieke, maar wel de ‘beste’ route vanuit Prato, maar de vraag is of de planning en omstandigheden dat toelaten. Het is en blijft in eerste instantie een familievakantie, dus gezamenlijke activiteiten gaan voor en plezier ik de Italiaanse zon is het best als je die met elkaar deelt.
Wat een geweldige beklimming, de Passo dello Stelvio vanuit Bormio. Ik heb er enorm van genoten en qua zwaarte viel het erg mee. De paar stukken van veertien procent waren zwaar, maar ik ben maar één keer uit het zadel gegaan en vooral met rustig en gelukkig gevoel gestaag omhoog geklommen. Het had, achteraf denk ik, harder gekund, maar het was gewoon goed zo — een geweldige ochtend.
De oude, maar vertrouwde Opera/Pinarello
Eerst fietste ik, precies om 7 uur ‘s ochtends, vanuit het vakantiehuis in Valdidentro naar Bormio, zo’n 10 kilometer, vooral naar beneden. Om ongeveer 7:20 begon ik aan de klim vanuit Bormio — klassiek vanaf Piazza Cuovo over de Via Roma naar de eerste haarspeldbocht van de Passo dello Stelvio. Daar begon het haarspelden tellen: veertig in totaal en vanaf beneden tellen ze af naar boven. Een fijne houvast.
Aangezien ik wel een klimmersbouw heb, maar zeker geen ervaren klimmer ben, wist ik niet zo goed wat ik kon verwachten; de Stelvio heeft toch wel een naam als zware klim. Het viel echter alles mee. Natuurlijk, er zaten, zeker in de eerste acht en laatste twee kilometer zware stukken in van tien tot veertien procent, maar ik ben slechts eenmaal uit het zadel gegaan en écht nodig was dat ook toen niet. Verder was het gewoon heel gestaag klimmen met een percentage rond het gemiddelde van zo’n acht procent. Op de een of andere manier schoot me tijdens de 1:50 uur die ik nodig had voor de beklimming een paar keer door het hoofd dat ik me best zorgen zou kunnen maken over ‘hoe ver nog?’, ‘wordt het nog zwaarder?’ Het gekke, of eigenlijk vooral mooie was dat ik die zorgen meer verwachte dan ze echt ervoer. Ik was vroeg vertrokken op een maandagochtend, de temperatuur was perfect en er was tijdens de heenrit nog weinig verkeer. Ik genoot gewoon van het moment en dat was heerlijk.
Geweldige uitzichten, praktisch geen verkeer
Het was ook leuk om mijlpalen te bedenken; haarspeld nummer X, nog Y kilometer, over de helft, boven de 2000-metergrens, boven de boomgrens, et cetera. Ik denk dat dat misschien het voordeel is van marathons in de benen en het hoofd hebben: je bent gewend aan lange duurinspanningen, zowel fysiek als mentaal. Natuurlijk hielpen de werkelijk fenomenale uitzichten ook veel. Én: ik zag en hoorde roofvogels en spotte een heuse bergmarmot!
Er waren, toen ik naar boven klom, nog heel weinig andere fietsers — ik heb er een handjevol ingehaald, dat was het. Ik werd zelf overigens hard ingehaald door een ronkende, oranje Lamborghini, wat ik wel weer leuk vond.
Bijna boven, in de laatste haarspeld (1)
Eenmaal boven, op 2758 meter, belandde ik in een circus met winkeltjes, muziek en ook op maandagochtend rond 9 uur al vrij veel mensen, maar ik vond dat eerlijk gezegd ook wel gezellig. Ik heb aardige mensen gesproken, maar nog weinig wielrenners; die starten, getuige de tegenliggers op de afdaling, toch later, denk ik. De 21,1 kilometer (precies een halve marathon, realiseer ik me nu pas!) met 1555 hoogtemeters vormden echt een heel mooie ervaring.
In 1:50 uur boven. Van tevoren geen idee, dus dit was prima.