In de Volkskrant van 24 juni 2026 werd in het artikel Me, myself and I aandacht geschonken aan nieuw onderzoek in Plos One (Golubickis, 2026), waaruit blijkt dat de teksten van Amerikaanse en Duitse (‘Westerse’) popmuziek egocentrischer worden, terwijl dat niet geldt voor Japanse en Chinese (‘oosterse’) popmuziek. De westerse, traditioneel als individualistische bestempelde samenlevingen bleken de afgelopen vijftig jaar popmuziek te produceren en consumeren waarin steeds meer voornaamwoorden in de eerste persoon enkelvoud (ik, mij, mijn) worden gebruikt. Dat gold voor de onderzochte vijftig jaar aan teksten uit de oosterse popmuziek niet; daarin werd geen significante toe- of afname gevonden van de eerste persoon enkelvoud. Het onderzoek maakte ons direct warm voor een Nederlandse variant. Hoe zit dat in zestig jaar Nederlandstalige popmuziek? Wij zochten het uit.
Omdat we het stuk op het genoemde platform niet te complex en vooral ook niet te lang wilden maken, schrapten we een en ander, vooral met betrekking tot de statistische analyse. Die kan uiteraard nog uitgebreider worden beschreven en wie weet doen we dat voor een publicatie nog een keertje, maar voor nu volgt hieronder een kort verslag van de regressieanalyse die we uitvoerden, vooral in reactie op een vraag van Henk Wolf op Neerlandistiek. Zie het onderstaande dus vooral ook als aanvulling op het Neerlandistiek-stuk en niet losstaand, want daarvoor heb je de context van het Neerlandistiek-artikel nodig.
We voerden een lineaire regressieanalyse uit op de data, waarmee we keken in hoeverre jaar een factor was die veranderingen in de mate van gebruik van voornaamwoorden kon voorspellen. Daaruit bleek dat jaar voor eerste persoon enkelvoud en meervoud en voor tweede persoon enkelvoud inderdaad voorspellende waarde had. Dat effect was bij de eerste persoon enkelvoud het sterkst (F = 24.59, p < .001; β = .072, 95% CI [.034, .070], t = 4.96, p < .001), waarbij jaar 29 procent van de verandering in ik-gebruik verklaarde, op de voet gevolgd door tweede persoon enkelvoud (F = 22.01, p < .001; β = .04, 95% CI [.031, .068], t = 4.69, p < .001), waarbij jaar 27 procent van de verandering in jij-gebruik verklaarde. Ook de verandering in eerste persoon meervoud (wij) bleek significant met jaar samen te hangen, maar dat effect is vele malen kleiner (F = 4.00, p = .05; β = .008, 95% CI [.000, .474], t = 2.00, p = .05) en jaar verklaart slechts zes procent van de lichte toename. Voor de tweede persoon meervoud werd geen significant effect gevonden (F = 0.46, p > .05; β = .000, 95% CI [-0.332, .168], t = .68, p > .05).
Hoe kom je aan goede, betekenisvolle boeken? En dan bedoel ik niet hoe je die boeken in je bezit krijgt, dat spreekt voor zich, maar hoe je ze op het spoor komt. De boeken die tot nu toe de grootste impact op mijn leven hadden, waren niet zelden toevalstreffers, zoals Yukio Mishima’s*Het gouden paviljoen* (1956) dat in de boekenkast van mijn muziekleraar stond en door een geïmproviseerd riedeltje op de mondharmonica – ik deed een poging tot een toonladder – ter sprake kwam. Het is een prachtige, schokkende en emotionele leeservaring waaraan ik nog vaak terugdenk en het boek was zonder die toevallige associatie, vermoed ik, nooit op mijn leesstapel beland.
Je kunt het toeval echter ook een handje helpen. Zit je verlegen om goede boeken en raden de eindeloze algoritmen van online boekenwinkels en -platforms je steeds hetzelfde genre aan? Dan is de zogenaamde ‘leesautobiografie’ een mooie manier om nieuw leesgeluk op het spoor te komen. In zo’n leesautobiografie doet iemand uit de doeken welke boeken hem of haar hebben gevormd. Zo schrijft Eric de Rooij, die ik persoonlijk ken, in het mooie en openhartige *Uit tallozen, jij. Een leven lezen* (2025) over de liefde voor lezen die werd aangewakkerd door de Alex-strips van Jacques Martin en de avonturen van Old Shatterhand in de boeken van Karl May. In een leesautobiografie hoeft het dus zeker niet alleen over ‘hoogstaande literatuur’ te gaan, wat dat ook moge zijn, maar het mag natuurlijk wel. Ogenschijnlijk moeiteloos en in een persoonlijke stijl rijgt De Rooij de uiteenlopende boeken aaneen die hem vormden; van Suske en Wiske tot Couperus en van Snuf de hond tot Louis-Ferdinand Céline. Hoezeer ‘een leven lezen’ hem als persoon heeft gevormd, blijkt gaandeweg het boek, waarbij De Rooij verhaalt over homoseksualiteit, klassenongelijkheid en andere thema’s die bij het (op)groeien, van kind tot volwassene, van jongen tot man, van lezer tot schrijver, een grote rol kunnen spelen. De Rooijs openhartigheid deed me ook denken aan een fragment uit Man o man (2017) van Nathan Vos, die een klein hoofdstukje wijdt aan boeken die je, volgens hem, ‘kunnen helpen te beseffen wat het is om een man te worden en wat ervoor nodig is’, die je helpen je gevoelsleven te ontwikkelen in plaats van weg te drukken.
Eric de Rooij – Uit tallozen, jij (2025). Afbeelding van Uitgeverij Kleine Uil.
Dat literatuur een troostend effect kan hebben en dat de relatie met een boek kan aanvoelen vriendschap, wist de veertiende-eeuwse Italiaanse geleerde Petrarca al, vertelde hoogleraar Jürgen Pieters, auteur van *Een boekje troost* (2021), eens tijdens een conferentie. Daarbij speelt mee dat een boek een herkenbare werkelijkheid kan presenteren die het mogelijk maakt je eigen leven aan dat van een ander te spiegelen. Een dergelijke herkenning vond ik bijvoorbeeld in *Hersenorkaan* (2021) van de Vlaamse auteur Ann De Craemer, waarin ze op poëtische en vooral openlijke wijze vertelt over haar depressie. Haar depressie is duidelijk niet de mijne, maar toch bood het boek mij, op het juiste moment, herkenning en erkenning. Ook Eric de Rooijs leven en boekenkast verschillen van die van mij, maar het mooie van zijn boek is nu juist dat je mag deelnemen aan zijn gedachten- en gevoelenswereld, zonder dat er sprake is van een vergelijking of oordeel. De Rooij zegt het mooi in het afsluitende hoofdstuk van *Uit tallozen, jij* (2025): ‘Je hoeft niet begrepen te worden, je mag jezelf zijn, wetend dat dat heel ingewikkeld is. Maar je weet ook, er is telkens weer een boek dat je inzicht en uitzicht verruimt.’ Mijn inzicht en uitzicht zijn inderdaad verruimd door De Rooijs beschouwingen. Evenals mijn almaar uitdijende boekenstapel, overigens, want dat is het risico van *Uit tallozen, jij*.
Hoe kom je aan goede, betekenisvolle boeken? En dan bedoel ik niet hoe je die boeken in je bezit krijgt, dat spreekt voor zich, maar hoe je ze op het spoor komt. De boeken die tot nu toe de grootste impact op mijn leven hadden, waren niet zelden toevalstreffers, zoals Yukio Mishima’s*Het gouden paviljoen* (1956) dat in de boekenkast van mijn muziekleraar stond en door een geïmproviseerd riedeltje op de mondharmonica – ik deed een poging tot een toonladder – ter sprake kwam. Het is een prachtige, schokkende en emotionele leeservaring waaraan ik nog vaak terugdenk en het boek was zonder die toevallige associatie, vermoed ik, nooit op mijn leesstapel beland.
Je kunt het toeval echter ook een handje helpen. Zit je verlegen om goede boeken en raden de eindeloze algoritmen van online boekenwinkels en -platforms je steeds hetzelfde genre aan? Dan is de zogenaamde ‘leesautobiografie’ een mooie manier om nieuw leesgeluk op het spoor te komen. In zo’n leesautobiografie doet iemand uit de doeken welke boeken hem of haar hebben gevormd. Zo schrijft Eric de Rooij, die ik persoonlijk ken, in het mooie en openhartige *Uit tallozen, jij. Een leven lezen* (2025) over de liefde voor lezen die werd aangewakkerd door de Alex-strips van Jacques Martin en de avonturen van Old Shatterhand in de boeken van Karl May. In een leesautobiografie hoeft dus zeker niet alleen over ‘hoogstaande literatuur’ te gaan, wat dat ook moge zijn, maar het mag natuurlijk wel. Ogenschijnlijk moeiteloos en in een persoonlijke stijl rijgt De Rooij de uiteenlopende boeken aaneen die hem vormden; van Suske en Wiske tot Couperus en van Snuf de hond tot Louis-Ferdinand Céline. Hoezeer ‘een leven lezen’ hem als persoon hebben gevormd, blijkt gaandeweg het boek, waarbij De Rooij verhaalt over homoseksualiteit, klassenongelijkheid en andere thema’s die bij het (op)groeien, van kind tot volwassene, van jongen tot man, van lezer tot schrijver, een grote rol kunnen spelen. De Rooijs openhartigheid deed me ook denken aan een fragment uit Man o man (2017) van Nathan Vos, waarin hij een klein hoofdstukje wijdt aan boeken die je, volgens hem, ‘kunnen helpen te beseffen wat het is om een man te worden en wat ervoor nodig is’, die je helpen je gevoelsleven te ontwikkelen in plaats van weg te drukken.
Eric de Rooij – Uit tallozen, jij (2025). Afbeelding van Uitgeverij Kleine Uil.
Dat literatuur een troostend effect kan hebben en dat de relatie met een boek kan aanvoelen vriendschap, wist de veertiende-eeuwse Italiaanse geleerde Petrarca al, vertelde hoogleraar Jürgen Pieters, auteur van *Een boekje troost* (2021), eens tijdens een conferentie. Daarbij speelt mee dat een boek een herkenbare werkelijkheid kan presenteren die het mogelijk maakt je eigen leven aan dat van een ander te spiegelen. Een dergelijke herkenning vond ik bijvoorbeeld in *Hersenorkaan* (2021) van de Vlaamse auteur Ann De Craemer, waarin ze op poëtische en vooral openlijke wijze vertelt over haar depressie. Haar depressie is duidelijk niet de mijne, maar toch bood het boek mij, op het juiste moment, herkenning en erkenning. Ook Eric de Rooijs leven en boekenkast verschillen van die van mij, maar het mooie van zijn boek is nu juist dat je mag deelnemen aan zijn gedachten- en gevoelenswereld, zonder dat er sprake is van een vergelijking of oordeel is. De Rooij zegt het mooi in het afsluitende hoofdstuk van *Uit tallozen, jij* (2025): ‘Je hoeft niet begrepen te worden, je mag jezelf zijn, wetend dat dat heel ingewikkeld is. Maar je weet ook, er is telkens weer een boek dat je inzicht en uitzicht verruimt.’ Mijn inzicht en uitzicht zijn inderdaad verruimd door De Rooijs beschouwingen. Evenals mijn almaar uitdijende boekenstapel, overigens, want dat is het risico van *Uit tallozen, jij*.