De laatste looptraining voor de Zestig van Texel zit erop — vanmorgen deed ik een nog korte intervaltraining (6 keer 400 meter op 3:40) en ik voelde me aan het einde best gretig. Dat is wel een goed teken, denk ik.
Zoals eerder geschreven zijn de twee taperweken niet ideaal. Zo had ik veel last van een wortelkanaalbehandeling en uiteindelijk het trekken van kies. Vooral de naweeën van die laatste ingreep, die uiteindelijk beter door een kaakchirurg dan door een tandarts uitgevoerd had kunnen worden, duren nog steeds voort, maar de pijn neemt inmiddels wel wat af en ik neem alleen nog in de avond pijnstillers. Daarbij komt dat ik een ontsteking van de peesschede in mijn linkeronderbeen heb en al is die nog niet verdwenen — het gaat wel de goede kant op. We gaan het zien op Texel.
Lastig is te bedenken op welk tempo ik aanstaande zondag wegga. Uiteindelijk zullen het parcours en de omstandigheden een grote rol spelen, maar het is toch wel fijn iets van een richttempo/-tijd hebben, denk ik. Op de website van de Zestig van Texel geeft Gerrit van Rotterdam in zijn trainingsgids de onderstaande tabel met verwachte eindtijden op basis van (weg)marathontijden.
Verwachte eindtijden Zestig van Texel (bron: Van Rotterdam, Gerrit. Trainen voor de Zestig van Texel.
Omdat er een beperkt aantal marathontijden in staat, heb ik een klein calculatortje gemaakt dat op basis van een zelf in te voeren marathontijd een voorspelling geeft die overeenkomt met de genoemde tabel.
Zestig van Texel-calculator
Het gaat expliciet om schattingen. Ik houd me dus niet verantwoordelijk voor de voorspellingen of de gevolgen daarvan. Kijk uit en staar je niet blind op de voorspelde tijd! Dat prent ik mezelf ook in.
Een vast, hoewel niet beoogd onderdeel van de taper lijkt wel de taper blues te zijn. In de weken voor de wedstrijd waar je naartoe hebt getraind neem je gas terug en dan heb je, naast rust, of misschien wel dóór die rust, vaak het idee dat je meer pijntjes hebt — die vaak niets blijken, meer twijfels. Dat valt dit jaar, met De Zestig van Texel, eerlijk gezegd mee, al heb ik er nu juist wel reden toe.
De eerste reden is dat ik al anderhalve week aan het tobben ben met een kies. Die speelde al eerder op, maar de kiespijn werd steeds heviger inmiddels ben ik drie tandartsbezoeken, een wortelkanaalbehandeling en uiteindelijk toch een extractie (het trekken van de kies) verder. Ik had een zogenaamde cracked tooth, waardoor er etensresten in de kies kwamen, die vervolgens ontstekingen tot in het kaakbeen opleverden. Geen pretje en hoewel ik nu, twee dagen na het trekken, nog veel pijn heb, is het ding er inmiddels wel uit en zou de pijn na vandaag moeten afnemen.
De tweede reden is dat ik sinds de Sallandtrail last had van mijn linkerenkel/-onderkant van mijn scheen. Nu heb ik lang geleden wel eens shin splints gehad, maar dit voelde anders. De fysio heeft het onderzocht en was duidelijk: een ontsteking van de peesschede (tenosynovitis), een ‘soort kokertje waarin de pees heen en weer glijdt en dat de pees beschermt en vochtig houdt.’ De oorzaak is ook duidelijk: het ongelijke terrein en vooral de vele hoogtemeters van de Sallandtrail die ik niet gewend ben en waar ik, eerlijk is eerlijk, niet op getraind had.
Dat ik, vanwege mijn kies, de week na de Sallandtrail ontstekingsremmende pijnstillers heb geslikt, heeft averechts gewerkt, want zo kon de ontsteking niet op gang komen en dat gebeurt nu dus alsnog. Balen, maar zoiets weet je pas achteraf. Op zich zou de ontsteking met wat meer rust, maar nog wel beweging en dus geen ontstekingsremmers in een paar dagen moeten afnemen, maar die ontstekingsremmers heb ik weer nodig voor de kies. Een soort catch 22 dus.
Al met al reden genoeg dus voor een echte taper blues, maar op de een of andere vind ik het nu makkelijker om te relativeren. Ja, het is balen, maar het is wat het is en we gaan het de komende week wel zien. Het leert me ook twee dingen. Ten eerste valt het me nu pas echt op hoezeer ik mijn lichaam in het verleden als een soort machine beschouwde; bestaand uit onderdelen die enigszins onafhankelijk van elkaar functioneren. Je gebruikt je kies niet tijdens het hardlopen, dus die dingen staan los van elkaar. Inmiddels merk ik sterk dat het zo niet werkt; heb je een flinke ontsteking in je lichaam, of een ander kwetsuur, dan is je hele lichaam bezig met herstellen. Dat heeft daarmee invloed op je hele lichaam, niet ‘slechts’ op een kies, kaak of pees. Ten tweede merkte ik dat de gedachte ‘straks heb ik al die trainingen voor niets gedaan’ eigenlijk direct werd gevolgd door de gedachte dat een doel als een (ultra)marathon ook de moeite waard moet zijn om de weg ernaartoe en die heb ik inmiddels wel afgelegd, niet alleen om de eindstreep.
Komende week meer rust, hopelijk minder (kies)pijn en met wat hoop en voorpret naar zondag 29 maart uitkijken.
Welk woord hoor je het meest in Nederlandstalige popmuziek? Dat is ik. We zingen blijkbaar vaak en graag over onszelf, want dit persoonlijke voornaamwoord komt ruim vierhonderd keer per 10.000 woorden voor.
Willy en Willeke Alberti (ja, vader en dochter) spanden al in 1967 de kroon met Dat afgezaagde zinnetje, waarin ik 26 keer voorkomt. Daarmee is deze onderwerpsvorm, eerste persoon enkelvoud goed voor bijna 14 procent van alle woorden in deze creatieve hertaling van Frank en Nancy Sinatra’s Something stupid. Ter vergelijking: in ‘normaal’ gesproken Nederlands is niet ik, maar ja het meest voorkomende woord met 287 keer per 10.000 woorden, al scoort ik ook hier niet slecht.
Zingen we dan niet graag over of tegen een ander? Zeker wel, want op nummer 2 staat, met 300 keer per 10.000 woorden, je. Het nummer met de meeste je’s? Dat is Wat zou je doen van Bløf uit 1998, waarin het maar liefst zestig keer voorkomt.
Op het trainingsschema voor De Zestig van Texel stond voor dit weekend eigenlijk een lange duurloop van 52 kilometer. Toch twijfelde ik er vanaf het begin al aan of deze lange duurloop, twee weken voor De Zestig van Texel , nodig en vooral verstandig was. Ik had immers week na week al meerdere echt lange duurlopen gedaan, inclusief een zware trail van ruim 50 kilometer vorige week. Zou amper een week daarna 52 kilometer me niet meer uitputten dan voorbereiden? Na wat gesprekken met andere ultralopers tijdens deze Sallandtrail besloot ik het anders te doen: geen 52 kilometer in één keer, maar een zogenaamde *back-to-back*. Nu loop en vooral liep ik wel vaker meerdere dagen achter elkaar, maar dan eigenlijk nooit twee lange(re) duurlopen en ook niet zo gericht.
Een *back-to-back*-duurloop is een training die veel wordt gebruikt in de voorbereiding op ultramarathons. In plaats van één extreem lange training te doen, verdeel je de afstand over twee opeenvolgende dagen. Het idee daarbij is simpel: je loopt de tweede training met vermoeide benen en daar zit de trainingsprikkel. In een ultraloop kom je namelijk onvermijdelijk in een fase waarin alles zwaar wordt. Door twee dagen achter elkaar lang te lopen, boots je dat gevoel van vermoeidheid na, zonder dat je lichaam, in mijn geval nogmaals, de enorme belasting van één ultralange training hoeft te verwerken. Daarom liep ik vrijdag 26 kilometer, inclusief 5×1000 meter op tempo (doordat ik de babyfoon in de gaten hield noodgedwongen op de loopband, maar toch fijn dat dat kan!) en zaterdag nog eens 26 kilometer.
Rondje Schipluiden
Ik vond beide trainingen zwaar, maar dat komt ook doordat de Sallandtrail nog geen week geleden was en er ook doordeweeks in deze piekweek aardig wat trainingen op het programma stonden. Bij de tweede dag merkte ik inderdaad, al zal dat ook deels tussen de oren hebben gezeten, dat ik al bij de start vermoeide benen had. Toch voelde het goed en vooral effectief. Je start namelijk met benen die nog duidelijk laten weten wat ze gisteren hebben gedaan. Alles voelde net wat zwaarder, al kwam ik na een kilometer of 10, eenmaal ter hoogte van Schipluiden, wat beter in het ritme. De nog steeds flinke wind tegen was toen grotendeels voorbij en het weer was verder prachtig; een wolkendek, maar ook een zonnetje dat daardoorheen probeerde te komen.
In een weekend (vrijdag even meegerekend) staat er nu dus 52 kilometer op de teller. Voor mij voelde dat als een verstandige keuze: zwaar genoeg om vertrouwen te geven, maar ook voldoende ruimte om goed aan de taper te beginnen, want die fase staat vanaf maandag op het programma. De laatste twee weken voor De Zestig van Texel draait het om kortere trainingen, rust nemen, herstellen en hopelijk fris aan de start staan. Dat klinkt simpel, maar voor veel lopers is het een lastig onderdeel van de voorbereiding — je moet erop vertrouwen dat de voorbereiding er grotendeels opzit en dat rust nu belangrijker is dan omvang.
Gisteren liep ik, na dik twee uur rijden naar Nijverdal, diep in het oosten des lands, de Sallandtrail — inderdaad, over de schitterende Sallandse Heuvelrug. De trail van 50 kilometer was ruim 51 kilometer, kende zo’n 700 hoogtemeters en het enige asfalt dat we gezien hebben, was de paar keer dat we een weg moesten oversteken. Lekker onverhard dus!
Aan de start van de Sallandtrail 2026
De trail voerde over bos- en zandpaden met dus flink wat grillige hoogtemeters. Het was een prachtig parcours, door heide en bos, maar het was ook een zwaar parcours. Ik merkte ook duidelijk dat ik zulke hoogtemeters, die vooral zwaar waren doordat ze dus vrij grillig waren — flink aantal echt steile klimmen en weinig gestage, maar veel steile afdalingen — niet gewend ben als randstedeling. Mijn benen en dan met name mijn bovenbenen kregen het dan ook flink te verduren. Dat was ook eigenlijk wel de bedoeling, want deze trail was vooral bedoeld als duurtraining voor De Zestig van Texel.
De schitterende trail-route langs onder andere Hellendoorn
Bij de start begon ik wel even aan mijn keuze te twijfelen om geen rugzak om te doen; ik was met zo’n twee anderen van de ongeveer 200 lopers op deze ultra-afstand duidelijk een uitzondering. De twijfel was echter snel weg. Ik had er immers goed over nagedacht: ik had banaan en gels mee in mijn shorts en er waren vier verzorgingsposten waar ik water kon drinken, dus een drinkrugzak was gewoon niet nodig. Daar komt bij dat ik zulke dingen, al heb ik een heel goede van Salomon, verschrikkelijk vind lopen en mijn vrouw de rugzak diezelfde ochtend gebruikte voor haar duurloop ter voorbereiding op de marathon van Rotterdam.
Na de start ging het lekker, al merkte ik duidelijk de opgebouwde vermoeidheid van de steeds langer wordende wekelijkse duurlopen — vorige week nog een 46 kilometer die er, vooral ook door griepherstel en het toen erg slechte weer, erg inhakte. Tot ongeveer 32 kilometer liep het redelijk soepel en kon ik, afhankelijk van het parcours uiteraard, mezelf inhouden niet te hard te gaan en lekker een duurlooptempo aan te houden. Na dit punt echter kwamen meerdere afstanden tegelijk, door verschillende starttijden die zo op elkaar waren afgestemd dat de afstanden ongeveer tegelijk zouden finishen, op het parcours en kwamen we met z’n allen op dezelfde single tracks terecht. Dat er op de kortere afstanden vooral langzamere lopers liepen is natuurlijk helemaal prima, maar het betekende ook weinig ruimte om in te halen en daarmee dat het lastiger werd je eigen tempo vast te houden op het moment dat je dat minder inspanning kost dan constant inhouden en inhalen.
Door de bossen rond Hellendoorn
Rond de 35 kilometer begonnen mijn bovenbenen echt protest aan te tekenen. Niet zo vreemd: ik ben de mulle ondergrond niet gewend en de hoogtemeters al helemaal niet. Een stukje verderop werden we getrakteerd op wat de lokale bevolking van Salland blijkbaar ‘De Kuil’ noemt, die ik vergelijkbaar vond, al wel wat korter gok ik, met het klimduin in Schoorl en dat zegt wel wat. We liepen ‘m tweemaal steil omhoog en naar beneden en dat met toch al flink verzuurde bovenbenen. Ik merkte overigens echt dat dat aan het zand en het klimmen lag; omhoog ging het vooral de laatste tien kilometer, met nog wat verraderlijke klimmetjes, moeizaam, maar op de vlakke stukken en in de afdalingen kon zonder veel moeite tot aan het einde prima tempo houden. Dat gaf vertrouwen. Uiteindelijk werd ik, zag ik ’s avonds thuis op de bank pas, negende van de ongeveer 200 lopers op deze afstand. Daar ging het natuurlijk niet om, maar toch leuk.
Al voor de start sprak ik wat andere lopers, die een aardige mix van locals en mensen vanuit het hele land bleken. Tijdens de trail liep ik een stuk op met iemand die precies hetzelfde plan als ik bleek te hebben: deze trail gebruiken als voorbereiding op De Zestig van Texel. Het was leuk en nuttig om onderweg trainingservaringen uit te wisselen. Ik vroeg hem naar zijn laatste weken, want ik twijfelde over volgende week. In principe heb ik dat weekend nog een laatste lange duurloop van 52 kilometer gepland staan, maar ik merkte, ook toen ik na afloop nog wat andere ultralopers sprak, dat ik, week in week uit, wel heel veel echt lange duurlopen deed en ik merkte vandaag wederom dat de vermoeidheid zich daardoor flink opstapelt. Bij gebrek aan echt goede literatuur over ultra’s (en dan bedoel ik niet de Amerikaanse literatuur, want die gaat vaak over afstanden van 100 kilometer en langer en vooral over je voorbereiden bergachtige gebieden) heb ik deze voorbereiding, gok ik, waarschijnlijk wat te veel als ‘marathon-plus’ benaderd. Daarom overweeg ik volgende week een zogenaamde back-to-back te doen; niet één duurloop van 52 kilometer, maar twee dagen achter elkaar een duurloop van 25 à 26 kilometer. Dat overwoog ik al eerder, maar ik denk dat het nu verstandig is het schema wat aan te passen. Dat is voor mij sowieso een goede oefening: het schema geen keurslijf laten zijn.
Uiteindelijk was deze ultratrail een goede, zware duurloop. Het weer zat mee, ik heb het zwaar gehad, maar ook genoten van de mensen die er waren, de prachtige omgeving en de organisatie. Het was daarmee een goede training voor Texel, denk ik en daarbij ook een les voor mezelf: wáár je een lange duurloop loopt — op een natte, gure baan of door een prachtig gebied — maakt veel uit. Dat had waarschijnlijk iedereen me wel kunnen vertellen, maar soms moet je zelf iets ervaren.
Vandaag, tijdens een kort herstelloopje na gisteren, dacht ik aan een tekst die ik op verzoek ga schrijven binnen het thema ‘door het lint’. Daarover later meer, maar de gedachte was vooral: eigenlijk is het eerlijker om onderstaande foto na de 46 kilometer op de baan te posten, want die laat een stuk beter dan de foto in de vorige post zien hoe ik me na afloop voelde.
Waar eerdere projecten — de marathon op de loopband of de marathon in rondjes van 400 meter om het huis — vooral grappige, wat gekke experimenten waren en zo ook aanvoelden, was de 46 kilometer op de baan dit weekend vanaf het begin gewoon zwaar en, eerlijk gezegd, niet leuk. Regen, windkracht 6 op een open baan in de polder van Vlaardingen en dan 115 rondjes van 400 meter, met elk rondje meer dan 100 meter volle bak tegenwind — dat telt op. Ik was dan ook het grootste deel van de tijd alleen op de baan; niet zo gezellig, maar wel handig dat ik constant dezelfde baan kon houden. Ik jok overigens een beetje: er waren twee flinke eenden die me alle rondjes gezelschap hielden en tegen wie ik soms zelf ‘baan!’ moest roepen.
115 rondjes op de baan
De mentale trucs die me normaliter helpen, hielpen weinig. Vaak breek ik lange trainingen op in blokken, die tel ik af en ik probeer dan niet het geheel te overzien. Nu voelde ik vanaf rondje één dat ik al wel een stuk beter ben, maar nog niet volledig hersteld van de flinke griep vorige week. Mijn benen waren moe, mijn ademhaling was op zijn zachtst gezegd niet optimaal.
Na elk blok van 30 rondjes at en dronk ik wat. Dat werkte weer goed, maar het motiveerde me niet zoals normaal. Elk rondje dacht ik: dit is niet leuk. Het hoort erbij — sommige trainingen zijn gewoon niet leuk, maar ik merk, in voorbereiding op een ultra, zoals ik al eerder schreef, dat het ‘niet leuk’-aspect wel erg aanwezig is. Dat is iets wat ik serieus wil nemen, want het gaat, uiteindelijk, natuurlijk zeker niet ‘alleen’ om de Zestig van Texel zelf, maar ook om de weg ernaartoe; die is namelijk veel langer en ik gun mezelf daar meer plezier in dan ik nu heb.
Hier kon ik er al wel weer om lachen
Ik probeerde voor deze training op de baan van een van mijn oude atletiekverenigingen, AV Fortuna in Vlaardingen, trouwens voor het eerst de *track run*-optie van mijn Garmin-horloge. Dat werkt heel erg goed; gewoon beginnen met lopen aan de start van de baan en door automatische kalibratie wordt elk rondje bijna perfect gemeten. Je kunt op je horloge dan een tellertje met het aantal rondjes zien en hoewel ik daar maar niet te vaak naar heb gekeken, was het leuk dat het zo goed werkte.
Garmin-_track run_ werkte prima
Qua tempo was het overigens wel heel fijn om op de baan te lopen — je kunt heel constant een duurlooptempo aanhouden en ik had dat, met het oog op herstel en de lengte van de duurloop, wat lager gelegd.
46 kilometer op de baan in Vlaardingen
Conclusie: het was zwaar, nat en mentaal uitputtend. Daarmee was het, by far, de zwaarste training die ik heb gedaan. Het was uiteraard wel een nuttige training, want de omstandigheden kunnen op Texel zeker ook tegenzitten. Niet elke training voelt goed, niet elke training is leuk en ik vind het belangrijk daar ook eerlijk over te zijn. Soms is het gewoon werken, rondje na rondje, totdat het klaar is, maar in het grotere plaatje moeten dit wel de uitzonderingen zijn.
Ik blijf het vreemd vinden: de duurlopen in de training voor Texel zijn inmiddels marathons geworden — of langer. Ik weet niet zo goed wat ik daarvan vind, schreef ik al eerder. Voor mij is de marathon toch een magische afstand en hoewel je een duurloop natuurlijk bij lange na niet op marathontempo loopt, is het raar na 42,195 kilometer of meer zonder een finish te passeren en een euforisch gevoel te ervaren de sleutel in het slot steekt en thuis bent.
Garmin-marathonbadges
Gisteren stond er een duurloop van 44 kilometer op het programma. Die deed ik mijn mijn ouders in de buurt, zodat ik kon hardlopen en zij lekker een ochtend met hun kleinzoon konden doorbrengen. Het voelde als een zware duurloop door de harde, gure wind in de open polders rond Benthuizen en Hazerswoude. Ik merkte onderweg, toen het aan het einde zwaar begon te voelen, wel dat ik de gedachte had dat een duurloop van deze omvang ook zwaar hoort te voelen. Niet té zwaar, maar een goede, zware training.
Duurloop in de Benthuizer polder
Ik liep vier ‘rondjes’ van ongeveer 11 kilometer, zodat ik vlak bij het start-/eindpunt drinken en eten kon neerzetten. Niet de allerleukste opzet natuurlijk, maar het waren geen 105,5 rondjes van 400 meter… Op deze manier kon ik op gezette tijden wel het nodige eten en drinken en dat is bij deze afstanden, denk ik, wel van groot belang.