Goed, het startschot van de Martini Marathon 2026, gehouden op vrijdagavond 25 september, klonk stipt om 18.30 uur en dat betekende dat, met de teller op nul, er nog 105,5 rondjes op de baan in het verschiet lagen. Ik had van tevoren, al toen ik mijn schema maakte, netjes drie plannen gemaakt. Plan A was een sub 2:45 en dat betekende een tempo van 3:55 of rondjes van 94 seconden; plan B was sub 2:50 op 4:02 en rondjes 96 seconden. Plan C was sub 3:00 op tempo 4:15 en rondjes van 102 seconden.
Al snel, in ieder geval binnen de eerste tien rondjes, voelde ik weinig kracht in de benen. Ze waren niet slap, maar ik voelde dat, na de drukke dag, plan A er niet inzat. Plan B misschien? Ik besloot, gezien ik echt geen pr dacht en hoefde te lopen (dat was dan ook flink sneller dan plan A geweest), rondjes van net onder de 100 seconden te lopen. Ik liep heel consistent steeds 98/99 seconden (je hebt tijd zat om te rekenen zonder veranderende omgeving) en dat leek me goed vol te houden. (Als je zelf rondetijden en tempo’s wilt berekenen, zie https://www.reuneker.nl/runcalc.) Dat was ook zo en tijdens, maar ook achteraf, had ik het gevoel dat het harder zou kunnen, maar ik had er gewoon geen zin in. Waar dat aan lag, weet ik niet precies, maar misschien was en ben ik gewoon loopmoe? Ook nu zat het met uithoudingsvermogen wel goed en kon ik technisch heel netjes blijven lopen — hoge cadans, goede afwikkeling, geen gekke dingen. Na afloop zeiden verscheidende mensen me dat het er ‘zonder moeite’ of ‘gemakkelijk’ uitzag. Zo voelde het natuurlijk niet echt, want een marathon blijft toch gewoon 42,195 meter, baan of niet en dat is een heel eind. Kortom: het lijkt toch wel een slim plan te zijn geweest om rond de 100 seconden te gaan lopen: lichamelijk ging het zonder enige slag of stoot, maar mentaal vond ik het flink worstelen.
Een van de latere rondjes
Ik had best uitgekeken naar het lopen van een marathon op de baan, hoewel ik in training voor de Zestig van Texel al eens een keer op een koude, gure en natte baan 46 kilometer had gelopen en dat beviel totaal niet. Maar ja, toen was er niemand anders en nu was er flink wat publiek langs de baan en op de tribune en er waren natuurlijk de andere lopers. Dat maakte dat je ook tijdens de wedstrijd, omdat je elkaar meer dan eens tegenkomt — als snellere loper lap je veel mensen vrij vaak — regelmatig een kort woordje kunt wisselen. Zo kwam het dat ik een opmerking kreeg die ik werkelijk nog nooit heb gehoord van een hardloper. Ja, de kuitenesthetiek van wielrenners ken ik, maar dat een medehardloper ‘mooie kuiten’ naar je roept als je hem passeert, dat was toch wel nieuw. Zulk soort momenten breken de race overigens wel op en dat is altijd welkom.
De marathon deelde ik op in blokken van twintig en later vijftien rondjes. Zo ‘mocht’ ik na twintig rondjes (acht kilometer) een banaan, na veertig rondjes een gelletje, na zestig seconden weer een banaan en toen kon ik uitkijken naar een vroege versnapering, namelijk weer een gelletje op 75 rondjes, gevolgd door een laatste halve banaan op 90. Ik heb van lange duurlopen, met onder andere een marathon in rondjes van 400 meter om mijn huis wel geleerd dat je niet moet proberen het geheel te overzien. Dat doe ik met wielrennen ook nooit en ook nu werkte dat mentaal goed.
De sfeer was gemoedelijk en leuk. De nummer 2/3 (we wisselden lang stuivertje), Maurice Kram, liep de marathon, zo zei hij onderweg als duurloop. Ja, zoiets kunnen we allemaal wel zeggen om ons in te dekken, maar toen hij zo halverwege eventjes een paar rondjes met de nummer 1 mee versnelde, zag ik wel dat hij niet loog en een maatje te groot was. De speaker riep later om dat hij de winnaar was van de laatste editie van de 100 kilometer van Winschoten (RUN Winschoten) en dat bevestigde het wel. Uiteindelijk finishte hij 200 meter voor mij en dat was prima. Ook daar merkte ik wel dat de wedstrijddrive er niet echt inzat, want dan was ik er aan het einde wel harder achteraan gegaan. Maurice finishte, achter winnaar Marc Steenhorst in 2:46:33, op de tweede plek in 2:55:17 en ik als derde in 2:55:38.
Finish!
Meer over het wedstrijdverloop vind je in Dagblad van het Noorden, waarin ik ook genoemd wordt. Sta je toch maar mooi in de Groningse krant!
Het was een leuke, kleine huldiging en we keken gezamenlijk nog even naar de lopers die nog wel even bezig waren aan hun 105,5 rondjes. Hoewel ik een mooie avond heb gehad, is, denk ik, wel duidelijk dat ik er ook gemengde gevoelens op terugkijk, al kon en kan ik het verloop meer dan accepteren — een groot verschil met ‘vroeger’, denk ik. Daarover binnenkort meer in de laatste post over de Martini Marathon 2026.
Afgelopen vrijdagavond, 25 september om 18.30 uur, liep ik de Martini Marathon in Groningen — een van de weinige baanmarathons met officiële tijdsmeting in Nederland. Baanmarathon, ja; 105,5 rondjes van 400 meter.
Gezellige drukte op de baan (wat later op de avond)
De training voor deze marathon ging op zich oké, maar werd, zoals eigenlijk altijd bij een najaarsmarathon, enigszins in de weg gezeten door de zomervakantie. Dit jaar zaten we, in de laatste van twee weken, boven op een Italiaanse berg. Wielrennen was er heerlijk, met de Stelvio en Gavia bijna om de hoek, maar hardlopen was er, door de enorme hoogteverschillen, praktisch niet te doen. Op zich was even wat meer looprust best goed voor me, denk ik, maar als de langere duurlopen eraan gaan, vind ik dat mentaal toch altijd wel lastig. Die vormen toch wel de ruggengraat van je training. Na de vakantie kon ik ze wel weer rustig oppakken.
Afijn, ik merkte in de voorbereidingen al dat de lange duurlopen heel soepel gingen. Aan uithoudingsvermogen geen gebrek, leek het, maar de tempo’s gingen moeizamer. Ik redde de beoogde tempo’s tijdens intervallen wel, maar het voelde gewoon zwaarder dan anders. Hoewel ik weet dat je daarvoor vaak niet een factor kunt aanwijzen, ga je in gedachten uiteraard toch op zoek. Waren het de perioden van slechte slaap, naweeën van de sleutelbeenbreuk, vermoeiing door het vele wielrennen, een wat moeizaam verlopende verbouwing, de leeftijd (toch veertig plus inmiddels) of wellicht gewoon de invloed van een veranderd leven met kind? Ik twijfelde ook wel over mijn schema; dat was zoals altijd gedegen, met elke week een tempotraining, een snelheidstraining en een lange duurtraining met blok aan het einde op marathontempo, maar nu ook nog een wekelijkse heuveltraining op de loopband, met langzamere intervallen op 12 procent stijging. Tja, dat telt natuurlijk ook op. Daarnaast doe ik, afgezien van die heuveltraining, eigenlijk al jaren hetzelfde en ik geloof niet dat dat bevorderlijk is, sowieso mentaal niet. Uiteraard ken ik het adagiam ‘concistency is king’, maar dat staat niet per se op gespannen voet met variatie.
Goed, fast forward naar afgelopen vrijdag. Na een drukke werkweek en een evenmin rustige papadag toog ik in een drie uur lange autorit naar Groningen. Ook dat laat zijn sporen achter, hoewel de rit voorspoedig verliep en ik, anders dan anders bij een marathon in de avond, voldoende tijd had om ook op de dag zelf nog genoeg en goed te eten. Eenmaal ingecheckt bij mijn bed and breakfast in Zuidlaren en aangekomen bij Groningen Atletiek kon ik mijn startnummer, nummer 40, opspelden, de tijdregistratiechips op mijn schoenen bevestigen en een paar rustige rondjes inlopen.
Startnummer (spoiler: foto van na de wedstrijd, vandaar dat de eindtijd er al op staat)
Voordeel bij zo’n kleine marathon — er gold een limiet van vijftig individuele lopers en tien à twaalf estafetteteams) is dat je — zonder overdrijven – twee minuten voor de start nog vooraan in het startvak kon gaan staan. WC-problemen a la de R’dam Half afgelopen week waren er ook niet. En waar loop je nog een marathon waar je twee minuten van tevoren vooraan in het startvak kunt gaan staan en waar je, schrik niet, maar 4,20 euro — een symbolisch bedrag uiteraard — inschrijfgeld hoeft te betalen?
Voordat we startklaar stonden, voerde ik nog wat leuke gesprekjes met de andere deelnemers. De sfeer, een combinatie van zin en zenuwen, zat er bij iedereen al goed in.
De teller staat nog op nul…
Om precies 18.30 uur werd, precies 195 meter voor de baanstart, het startschot gegeven en begonnen we. In de volgende post het wedstrijdverloop.
Al een aantal keer noemde ik de ‘oude’ Opera-racefiets die ik zo’n tien jaar geleden tweedehands kocht via Marktplaats en ophaalde in Den Haag. Toen al stond in de advertentie dat Opera een soort dochtermerk van Pinarello was, maar heel veel meer heb ik nooit gevonden. De laatste dagen heb ik nog wat gezocht op het internet en toch nog wel wat kunnen vinden.
Het frame is in ieder geval een frame van Opera, type Cellini en volgens verschillende fora was dat Pinarello‘s in 1998 opgerichte budgetlijn, al vond ik ook berichten waarin het juist een premium-zustermerk werd genoemd. Het gaat om een 6061-T6 aluminium frame van circa negen kilo met een carbon LAMA-voorvork. Duidelijk is dat verschillende onderdelen niet meer origineel zijn; oorspronkelijk was deze fiets afgemonteerd met Shimano Sora, wat zou pleiten voor een classificatie als budgetlijn van Pinarello.
Mijn Opera Cellini, waarschijnlijk uit omstreeks 2010.
Goed, een budget bike van Opera/Pinarello dus, die ondanks de leeftijd, maar dankzij vervanging van enkele essentiële onderdelen, toch echt nog best heel goed rijdt. Gisteren reden mijn vrouw en ik nog een relaxed rondje Rotte met een fijne koffiestop bij Outdoor Valley en ze merkte op dat deze fiets toch wel echt fijner reed dan mijn (nog) oudere Bulls 105 — mijn eerste echte racefiets — waarop ze eerder reed, maar die nu nog steeds heel goed dienst doet als werkpaard op de indoor trainer.