§379. Ik+jij=wij (analyse)
Op 24 juli publiceerden we een stuk op Neerlandistiek over voornaamwoorden in Nederlandstalige popmuziek, waarvan je hieronder de intro kunt lezen.
In de Volkskrant van 24 juni 2026 werd in het artikel Me, myself and I aandacht geschonken aan nieuw onderzoek in Plos One (Golubickis, 2026), waaruit blijkt dat de teksten van Amerikaanse en Duitse (‘Westerse’) popmuziek egocentrischer worden, terwijl dat niet geldt voor Japanse en Chinese (‘oosterse’) popmuziek. De westerse, traditioneel als individualistische bestempelde samenlevingen bleken de afgelopen vijftig jaar popmuziek te produceren en consumeren waarin steeds meer voornaamwoorden in de eerste persoon enkelvoud (ik, mij, mijn) worden gebruikt. Dat gold voor de onderzochte vijftig jaar aan teksten uit de oosterse popmuziek niet; daarin werd geen significante toe- of afname gevonden van de eerste persoon enkelvoud. Het onderzoek maakte ons direct warm voor een Nederlandse variant. Hoe zit dat in zestig jaar Nederlandstalige popmuziek? Wij zochten het uit.
Omdat we het stuk op het genoemde platform niet te complex en vooral ook niet te lang wilden maken, schrapten we een en ander, vooral met betrekking tot de statistische analyse. Die kan uiteraard nog uitgebreider worden beschreven en wie weet doen we dat voor een publicatie nog een keertje, maar voor nu volgt hieronder een kort verslag van de regressieanalyse die we uitvoerden, vooral in reactie op een vraag van Henk Wolf op Neerlandistiek. Zie het onderstaande dus vooral ook als aanvulling op het Neerlandistiek-stuk en niet losstaand, want daarvoor heb je de context van het Neerlandistiek-artikel nodig.
We voerden een lineaire regressieanalyse uit op de data, waarmee we keken in hoeverre jaar een factor was die veranderingen in de mate van gebruik van voornaamwoorden kon voorspellen. Daaruit bleek dat jaar voor eerste persoon enkelvoud en meervoud en voor tweede persoon enkelvoud inderdaad voorspellende waarde had. Dat effect was bij de eerste persoon enkelvoud het sterkst (F = 24.59, p < .001; β = .072, 95% CI [.034, .070], t = 4.96, p < .001), waarbij jaar 29 procent van de verandering in ik-gebruik verklaarde, op de voet gevolgd door tweede persoon enkelvoud (F = 22.01, p < .001; β = .04, 95% CI [.031, .068], t = 4.69, p < .001), waarbij jaar 27 procent van de verandering in jij-gebruik verklaarde. Ook de verandering in eerste persoon meervoud (wij) bleek significant met jaar samen te hangen, maar dat effect is vele malen kleiner (F = 4.00, p = .05; β = .008, 95% CI [.000, .474], t = 2.00, p = .05) en jaar verklaart slechts zes procent van de lichte toename. Voor de tweede persoon meervoud werd geen significant effect gevonden (F = 0.46, p > .05; β = .000, 95% CI [-0.332, .168], t = .68, p > .05).
Geef een reactie